ECLI:NL:RVS:2020:2483
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging bestuurlijke boete wegens illegale verhuur zonder vergunning in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan [wederpartijen] een bestuurlijke boete van €20.500 op wegens het zonder vergunning verhuren van een appartement aan toeristen. [Wederpartijen] hadden het appartement aangekocht met de intentie het samen te voegen met hun eigen woning, maar hadden zich niet ingeschreven op het adres en geen vergunning aangevraagd voor verhuur.
De rechtbank matigde de boete tot €10.000 omdat de overtreding minder ernstig werd geacht gezien de intentie tot samenvoeging, het beperkte aantal verhuurde dagen en het feit dat de woning deels als eigen woning werd gebruikt. Het college ging in hoger beroep tegen deze matiging.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de overtreding minder ernstig is. De Afdeling benadrukt dat de woning niet ongecontroleerd uit de woonruimtevoorraad is verdwenen en dat de leefbaarheid van de stad minimaal is aangetast. De intentie tot samenvoeging en het gebruik van de woning als studie- en logeerruimte ondersteunen dit oordeel.
Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de bestuurlijke boete tot €10.000 en verklaart het hoger beroep van het college ongegrond.