ECLI:NL:RVS:2020:249
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ingangsdatum verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke aanvankelijk door de staatssecretaris op 27 september 2016 werd afgewezen. Na bezwaar werd bij besluit van 29 maart 2018 alsnog een verblijfsvergunning verleend, maar met als ingangsdatum haar eenentwintigste verjaardag, 17 februari 2018.
De rechtbank verklaarde het daaropvolgende beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nader onderzoek de ingangsdatum had vastgesteld en dat een zorgvuldige afweging had moeten plaatsvinden.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 maart 2018. De staatssecretaris werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vreemdeling tot die datum wordt geacht over een geldige verblijfsvergunning te beschikken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.