ECLI:NL:RVS:2020:2496

Raad van State

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
21 oktober 2020
Zaaknummer
202000249/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor kinderen uit Soedan

De zaak betreft drie kinderen uit Soedan die met hun moeder in een ontheemdenkamp verblijven. Hun broer heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor hen aangevraagd, welke door de staatssecretaris is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de kinderen ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere situatie van de kinderen en dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet is afgeweken van zijn standpunt dat de kinderen hun identiteit niet met de vereiste documenten hebben aangetoond en geen geldige toestemmingsverklaring van de vader hebben overgelegd. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij het gezinsleven van de kinderen met hun moeder en broer in Nederland wordt meegewogen tegen het Nederlandse algemeen belang, is niet kenbaar gemaakt.

De Raad van State vernietigt daarom het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de kinderen. De zaak wordt hiermee terugverwezen voor een nieuwe beoordeling met een juiste belangenafweging en motivering.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.

Uitspraak

202000249/1/V2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 december 2019 in zaak nr. 18/5346 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2016 heeft de staatssecretaris de aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig (hierna: mvv-aanvraag) verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 juni 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De vreemdelingen hebben daarop gereageerd.
Overwegingen
1.    De vreemdelingen zijn drie kinderen uit Soedan die met hun moeder in een Soedanees ontheemdenkamp verblijven. Hun broer (hierna: referent) heeft een mvv-aanvraag ingediend om hen naar Nederland te laten komen.
2.    In de grieven klagen de vreemdelingen terecht dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de door hen gestelde bijzondere situatie. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris de in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM te maken belangenafweging tussen het belang van de vreemdelingen aan de ene kant, en het Nederlands algemeen belang aan de andere kant, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat de moeder van referent ook de moeder van de vreemdelingen is. Verder heeft de staatssecretaris al eerder beslist dat de moeder zich bij referent in Nederland mag voegen. De vreemdelingen hebben uitvoerig toegelicht waarom het gezien de bijzondere omstandigheden in hun situatie onmogelijk is om de toestemmingsverklaring van de vader op korte termijn te laten vervangen door een verklaring die aan alle eisen voldoet. Daarom heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij in dit geval niet is afgeweken van zijn standpunt dat de vreemdelingen hun identiteit niet met documenten hebben aangetoond en dat zij geen toestemmingsverklaring hebben overgelegd die aan de gestelde eisen voldoet. De staatssecretaris heeft het belang van het onverkort vasthouden aan de vereisten die hij aan het door de vreemdelingen te verschaffen bewijs stelt niet kenbaar afgewogen tegen het belang van de vreemdelingen om met hun moeder en referent in Nederland gezinsleven uit te oefenen. In het bijzonder heeft de staatssecretaris in deze procedure niet kenbaar het belang van de moeder betrokken om niet een keus te hoeven maken zich ofwel bij haar kind in Nederland te voegen en haar andere kinderen in Soedan achter te laten, ofwel bij haar kinderen in Soedan te blijven en haar andere kind zonder haar in Nederland te laten verblijven.
2.1.    De grieven slagen.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 18 juni 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 december 2019 in zaak nr. 18/5346;
III.    verklaart het beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 18 juni 2018, V-[…], […] en […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag € 1.837,50 (zegge: achtienhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2020
572-897.