Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2021 in de zaak tussen
beiden van Egyptische nationaliteit,vertegenwoordigd door hun moeder [naam] (referente)
Rechtbank Den Haag
De moeder van twee minderjarige kinderen uit Egypte heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis aangevraagd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen vanwege het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de vader. De moeder stelde dat zij het eenhoofdig gezag heeft, onderbouwd met Egyptische vonnissen en een contra-expertise, maar de rechtbank oordeelde dat niet is aangetoond dat de vader geen gezag meer heeft.
De rechtbank overwoog dat de moeder geen plausibele reden had gegeven om af te wijken van het toestemmingsvereiste, zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire, en dat het beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn en Unierecht niet slaagde omdat er geen onoplosbare patstelling was en de vader nog gezag heeft. Ook werd geoordeeld dat de belangen van het kind voldoende waren meegewogen en dat er geen sprake was van schrijnende omstandigheden in het land van herkomst.
Verder wees de rechtbank het beroep af op grond van artikel 8 EVRM Pro omdat de aanvraag niet aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet voldeed en dat er geen schending van de hoorplicht had plaatsgevonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de vader.