ECLI:NL:RVS:2020:2532
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen
Appellante heeft op 25 april 2019 een aanvraag ingediend bij de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering wegens psychisch letsel als gevolg van een zedenmisdrijf. De CSG wees de aanvraag op 1 augustus 2019 af omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij slachtoffer was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zoals bedoeld in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
Appellante deed op 21 januari 2019 aangifte bij de politie, maar dit leidde niet tot strafrechtelijk onderzoek of vervolging. Hierdoor rustte op haar de bewijslast om met aanvullende objectieve aanwijzingen het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. De rechtbank oordeelde dat de eigen verklaring, aangifte en overgelegde brief onvoldoende waren om dit te bewijzen.
Appellante erkende dat zij geen aanvullende objectieve bewijsstukken had overgelegd die niet op haar eigen verklaring waren gebaseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de CSG de aanvraag in redelijkheid kon afwijzen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het schadefonds wordt bevestigd.