ECLI:NL:RVS:2020:2537
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht na medische omstandigheden
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van € 1.250,00 op wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht volgens artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. Appellant voldeed niet vóór 12 mei 2017 aan deze plicht, maar behaalde het inburgeringsdiploma binnen de tweede termijn van twee jaar.
Appellant verzocht om verlenging van de inburgeringstermijn op basis van medische redenen, maar dit verzoek werd afgewezen op grond van een medisch advies van Argonaut. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het bestuursorgaan terecht op het medisch advies mocht afgaan, omdat appellant geen concrete aanwijzingen voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies had gegeven. Wel werd de boete gematigd met 50% vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder het niet goed onderbouwen van trauma gerelateerde psychische klachten van de partner van appellant.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister, herroept het oorspronkelijke boetebesluit en stelde de boete vast op € 625,00. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht is gematigd tot € 625,00 en het eerdere besluit is herroepen.