ECLI:NL:RVS:2020:2582
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugkeer vreemdeling wegens onvoldoende motivering verblijfseinde
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 16 juli 2017 een besluit genomen dat de vreemdeling zich onmiddellijk naar België moest begeven, omdat het verblijf in Nederland was geëindigd op grond van een verdenking van een strafbaar feit. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 15 december 2017 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde dit besluit in 2018 gedeeltelijk vernietigd, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht aannam dat het verblijf van de vreemdeling in de vrije termijn was geëindigd vanwege een verdenking van een ernstig strafbaar feit, conform het arrest E.P. van het Hof van Justitie van de EU. Echter ontbrak in de besluiten een duidelijke en voldoende motivering waarom het verblijf als onrechtmatig werd beschouwd en waarom de vreemdeling als een actuele bedreiging voor de openbare orde werd aangemerkt.
Verder stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris ten onrechte had afgezien van het horen van de vreemdeling in bezwaar, wat in strijd was met de Awb. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat de vreemdeling alsnog gelegenheid had gekregen zijn standpunten naar voren te brengen en niet aannemelijk was dat een ander besluit zou zijn genomen bij naleving van de hoorplicht.
De Afdeling vernietigde het besluit van 15 december 2017 en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van 15 december 2017 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.