ECLI:NL:RVS:2020:2715
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 26 maart 2018 de aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af wegens onvoldoende aannemelijkheid van haar identiteit. De vreemdeling had documenten overgelegd die door Bureau Documenten als vals waren beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit van de staatssecretaris ondeugdelijk was gemotiveerd omtrent de bewijsnood van de vreemdeling. De vreemdeling had onvoldoende concreet toegelicht hoe zij zich zonder identiteitskaart in Eritrea heeft kunnen handhaven en had geen sluitend bewijs geleverd van haar dienstplicht.
De Afdeling bevestigde dat het beginsel van 'equality of arms' in nareiszaken relevant is, maar dat dit in deze zaak niet tot een andere uitkomst leidt. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.