AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-beslissen op verzoek heropening onderzoek in asielzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 december 2019 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 oktober 2020 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op zijn verzoek om heropening van het onderzoek, ingediend op 3 augustus 2020. Volgens artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank het onderzoek heropenen indien het niet volledig is geweest, een discretionaire bevoegdheid die doorgaans geen uitgebreide motivering vereist. Uit de stukken bleek dat de rechtbank dit verzoek niet heeft behandeld.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit verzoek had moeten beoordelen en dat het niet beslissen daarop een gebrek was. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor behandeling met inachtneming van het oordeel van de Afdeling. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens het niet beslissen op het verzoek tot heropening van het onderzoek en de zaak wordt terugverwezen.
Uitspraak
202005764/1/V2 en 202005764/2/V2.
Datum uitspraak: 16 november 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 oktober 2020 in zaak nr. NL19.31224 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 oktober 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Suurmeijer, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt onder meer dat de rechtbank ten onrechte uitspraak heeft gedaan zonder te beslissen op zijn verzoek om heropening van het onderzoek.
2. Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het onderzoek heropenen, als zij van oordeel is dat dit niet volledig is geweest. Dit is een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat en waarvan de toepassing meestal geen nadere motivering behoeft (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1210). Over een verzoek om van deze bevoegdheid gebruik te maken, moet de rechtbank zich een oordeel vormen en partijen daarover informeren. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gemachtigde van de vreemdeling het verzoek op 3 augustus 2020 in het digitaal dossier heeft geüpload. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt echter niet dat de rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoek om heropening van het onderzoek en daarover een beslissing heeft genomen.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 oktober 2020 in zaak nr. NL19.31224;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.