ECLI:NL:RVS:2020:2739
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vergunning omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 28 maart 2018 een vergunning aan appellant sub 2 voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in vier onzelfstandige woonruimten in het gebouw Metrotoren te Amsterdam. De vereniging van eigenaren, een bewoner en een belanghebbende maakten bezwaar tegen dit besluit vanwege zorgen over de leefbaarheid en mogelijke negatieve effecten op het woon- en leefmilieu. De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de besluiten van 28 augustus 2018 en beval het college een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de rechtbank ten onrechte het belang van de vereniging en bewoners bij het beroep ontkende en onvoldoende rekening hield met het gemeentelijke beleid dat woningdelen stimuleert onder voorwaarden die leefbaarheid waarborgen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht een belangenafweging had gemaakt op basis van beleidsregel 12, waarbij een vergunning voor omzetting naar maximaal vier onzelfstandige woonruimten onder voorwaarden wordt verleend om onaanvaardbare aantasting van de leefbaarheid te voorkomen.
Verder concludeerde de Afdeling dat het college het belang van behoud van de woonruimtevoorraad mee heeft gewogen en dat de omzetting geen onaanvaardbaar negatief effect op de leefbaarheid zal hebben. De vrees voor overlast door illegale activiteiten werd als losstaand van de vergunning beoordeeld. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen tegen het collegebesluit ongegrond.
Uitkomst: De beroepen tegen het collegebesluit tot vergunningverlening worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.