ECLI:NL:RVS:2020:2818
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Uitleg Schengengrenscode over uitreisstempels voor zeelieden in Rotterdamse haven
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vraag wanneer uitreisstempels moeten worden geplaatst in de paspoorten van vreemdelingen die als zeelieden aanmonsteren op schepen in de Rotterdamse haven. De Zeehavenpolitie weigerde begin 2016 uitreisstempels te plaatsen omdat niet duidelijk was wanneer het schip zou vertrekken. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het Hof van Justitie gevraagd om prejudiciële uitleg van artikel 11 van Pro de Schengengrenscode. Het Hof oordeelde dat uitreisstempels pas mogen worden geplaatst wanneer het vertrek van het schip uit de zeehaven naar een plaats buiten het Schengengebied aanstaande is. De Afdeling volgt dit oordeel en vernietigt het deel van de rechtbankuitspraken dat de beroepen van de vreemdelingen gegrond verklaarde.
De Afdeling oordeelt ook dat de incidenteel ingestelde hoger beroepen van de bedrijven niet-ontvankelijk zijn omdat zij geen rechtstreeks belang hebben bij de weigering van uitreisstempels. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt dat het plaatsen van uitreisstempels bij aanmonstering niet is toegestaan zonder dat het vertrek van het schip aanstaande is, om misbruik en omzeiling van verblijfsregels te voorkomen.
Uitkomst: De hoger beroepen van de staatssecretaris worden toegewezen en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.