ECLI:NL:RVS:2020:2921
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten op bezwaar over clusterplaats minicontainers De Vang met instandhouding rechtsgevolgen
Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg had bij besluit van 16 oktober 2017 meerdere locaties aangewezen als clusterplaatsen voor minicontainers, met uitzondering van de locatie aan De Vang die werd opgeheven. Na bezwaar en beroep handhaafde het college dit besluit met verbeterde motivering bij besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019.
Appellanten, bewoners uit de nabijheid van De Vang, stelden beroep in tegen deze besluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat een van de appellanten niet-ontvankelijk was omdat geen bezwaar was gemaakt. Verder oordeelde de Afdeling dat er sprake was van een mandateringsgebrek bij de besluiten op bezwaar, omdat deze waren genomen door een juridisch medewerker die hiertoe niet bevoegd was, en vernietigde deze besluiten. Het college had deze besluiten later bekrachtigd, waardoor de Afdeling de rechtsgevolgen van de besluiten in stand liet.
De Afdeling verwierp verder de overige beroepsgronden, waaronder het verwijt van willekeur bij de commissie voor bezwaarschriften en de kritiek op de toepassing van de Inrichtingscriteria. De Afdeling vond dat het college de belangen zorgvuldig had afgewogen, met voldoende motivering en onderbouwde toepassing van de criteria, en dat het besluit tot opheffing van de clusterplaats aan De Vang redelijk was. De Afdeling gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht aan de appellanten.
Uitkomst: De besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 worden vernietigd wegens mandateringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.