ECLI:NL:RVS:2020:2939
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing zaak verblijfsvergunning asiel na afwijzing
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 juli 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het risico op vogelvrijverklaring en afvalligheid van de islam bij terugkeer naar Irak niet tot bescherming zou leiden. Hij stelde dat zijn langdurige buitenhuwelijkse relatie met een Nederlandse vrouw en de niet-islamitische opvoeding van zijn kinderen ertoe leiden dat hij door de Iraakse samenleving als afvallig wordt beschouwd, wat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank dit relevante beroepsgrond had genegeerd en daarmee in strijd had gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor herbehandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €525,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.