ECLI:NL:RVS:2020:2958

Raad van State

Datum uitspraak
14 december 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
202002630/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees in maart en mei 2019 aanvragen van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf en een verblijfsvergunning af. De daarop ingestelde bezwaren werden door de staatssecretaris ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris niet onrechtmatig had afgezien van het horen in bezwaar. Volgens artikel 7:3 Awb Pro mag alleen worden afgezien van het horen als redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat de bezwaren niet tot een ander besluit kunnen leiden. De Afdeling stelde vast dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris.

Uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand, omdat inhoudelijk geen reden was om het besluit onjuist te achten. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, zij het zonder griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het beroep alsnog toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

202002630/1/V1.
Datum uitspraak: 14 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 1 april 2020 in zaak nr. 19/6262 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 maart 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen om vreemdelingen 1 en 2 een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om vreemdeling 3 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 4 augustus 2019 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Naarden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdelingen in grieven 1, 2 en 4 aanvoeren, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 23 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2780, over aanvankelijk alleenstaande minderjarige referenten). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.    In grief 3 betogen de vreemdelingen terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien. De staatssecretaris mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Al in bezwaar hebben de vreemdelingen een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248. Gelet op wat de Afdeling daarover heeft overwogen in eerdergenoemde uitspraak van 23 november 2020, was het bezwaar niet kennelijk ongegrond.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Het besluit van 4 augustus 2019 wordt vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.
3.1.    De vreemdelingen hebben hun standpunt in beroep ter zitting bij de rechtbank kunnen toelichten. Gelet op wat de Afdeling heeft overwogen in eerdergenoemde uitspraak van 23 november 2020, kan wat zij daar hebben aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat het besluit van 4 augustus 2019 inhoudelijk onjuist is.
4.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 1 april 2020 in zaak nr. 19/6262;
III.    verklaart het beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 4 augustus 2019, V-nrs. […], […] en […];
V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2020
282-941.