ECLI:NL:RVS:2020:2974
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J.Th. Drop
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling onrechtmatig in bewaring gesteld wegens onjuiste wettelijke grondslag
De vreemdeling, afkomstig uit Algerije, werd op 2 oktober 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij had via Frankrijk Nederland bereikt en een asielaanvraag ingediend. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen de bewaring ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de bewaring op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. De vreemdeling stelde dat artikel 12 van Pro de Dublinverordening van toepassing was, omdat hij houder was van een Franse verblijfstitel die minder dan twee jaar verlopen was. De rechtbank had dit ten onrechte niet erkend en concludeerde dat artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 de juiste grondslag was.
De Raad van State oordeelde dat de verblijfstitel in Frankrijk inderdaad relevant was en dat de staatssecretaris onterecht artikel 59b toepaste in plaats van artikel 59a. Hierdoor was de bewaring onrechtmatig vanaf het begin. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig, het beroep wordt gegrond verklaard en er wordt een schadevergoeding toegekend.