ECLI:NL:RVS:2020:2975

Raad van State

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
15 december 2020
Zaaknummer
202004199/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling proceskostenvergoeding na vernietiging motiveringsgebrek verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 mei 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen. De rechtbank wees echter de proceskostenvergoeding af.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende, omdat het besluit van de staatssecretaris ondeugdelijk was gemotiveerd. De Raad vernietigde dit deel van de uitspraak en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €1.575.

Voor het overige bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten die de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft gemaakt.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis voor het niet toekennen van proceskostenvergoeding en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €1.575 aan proceskosten.

Uitspraak

202004199/1/V2.
Datum uitspraak: 15 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 juli 2020 in zaak nr. NL20.11394 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 23 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.L. Sarin, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in zijn vijfde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de staatssecretaris het besluit op het punt van de afvalligheid van de vreemdeling van het islamitisch geloof ondeugdelijk heeft gemotiveerd en heeft dat besluit om die reden vernietigd. Omdat de rechtbank een motiveringsgebrek heeft geconstateerd, had zij de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2.    Wat de vreemdeling verder aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 juli 2020 in zaak nr. NL20.11394, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020
363-968.