ECLI:NL:RVS:2020:2981
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking remigratievoorzieningen met terugwerkende kracht na vestiging hoofdverblijf in Nederland
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de intrekking en terugvordering van remigratievoorzieningen door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Appellant had voorzieningen toegekend gekregen op grond van de Remigratiewet en was in mei 2016 geremigreerd naar Turkije. Vervolgens vroeg hij in maart 2017 een verblijfsvergunning aan met het doel terugkeer naar Nederland, welke aanvankelijk werd afgewezen, maar later werd toegekend met terugwerkende kracht tot 15 maart 2017.
De SVB trok de remigratievoorzieningen per 1 april 2017 in en vorderde onverschuldigde betalingen terug. De rechtbank oordeelde dat appellant vanaf 15 maart 2017 hoofdverblijf in Nederland had, zodat de voorzieningen terecht zijn beëindigd. Appellant betoogde dat hij zich pas in april 2018 daadwerkelijk in Nederland had gevestigd en dat terugwerkende kracht niet was toegestaan.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het begrip hoofdverblijf wordt beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden, waarbij het feit dat appellant een verblijfsvergunning mocht afwachten in Nederland doorslaggevend was. De rechtbank mocht daarom aannemen dat appellant vanaf 15 maart 2017 hoofdverblijf in Nederland had. De terugwerkende intrekking en terugvordering waren daarmee rechtmatig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van remigratievoorzieningen met terugwerkende kracht bevestigd.