Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2020:3054

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
202004430/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArt. 83 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende beoordeling negatieve belangstelling Iraanse autoriteiten

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 februari 2020 aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep klaagden de vreemdelingen terecht dat de rechtbank niet had meegewogen dat zij een aangetekende brief aan de Iraanse ambassade hadden overgelegd ter onderbouwing van hun stelling dat zij negatieve aandacht van Iraanse autoriteiten ondervinden.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte deze brief niet had betrokken bij haar beoordeling, terwijl artikel 83, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 dit vereist. Hierdoor was de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en onjuist.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van haar oordeel. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen ter hoogte van €525,00.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.

Uitspraak

202004430/1/V2.
Datum uitspraak: 22 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 augustus 2020 in zaken nrs. NL20.6022 en NL20.6024 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 28 februari 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 augustus 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De vreemdelingen klagen in hun grieven, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten. Zij voeren terecht aan dat de rechtbank niet de door hen in beroep overgelegde aangetekende brief aan de Iraanse ambassade heeft betrokken in haar oordeel. Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, had dat echter wel gemoeten. De grieven slagen.
2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 augustus 2020 in zaken nrs. NL20.6022 en NL20.6024;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020
572-897.