ECLI:NL:RVS:2022:1668
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingen krijgen gelijk in hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdelingen, Iraanse nationaliteit, hadden hun asielaanvragen afgewezen gekregen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond, maar de Raad van State had eerder het hoger beroep gegrond verklaard en verwees de zaak terug naar de rechtbank. Na hernieuwde afwijzing door de rechtbank stelden de vreemdelingen opnieuw hoger beroep in.
De kern van het geschil betrof de geloofwaardigheid van hun beweringen dat zij zich hadden bekeerd tot het christendom en Jehova's getuigen waren geworden, en het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Iran. De rechtbank vond dat de vreemdelingen bij confrontatie met Iraanse autoriteiten konden verklaren dat zij hun bekering hadden geveinsd, zodat geen reëel risico zou bestaan.
De Raad van State oordeelde echter dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom geen reëel risico zou bestaan, ook als de Iraanse autoriteiten hen als bekeerlingen zouden beschouwen. De Raad nam daarbij mee dat de vreemdelingen een brief aan de Iraanse ambassade hadden gestuurd en dat eerdere asielvergunningen aan familieleden waren verleend. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 28 februari 2020 vernietigd. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van de uitspraak en het ambtsbericht van mei 2022 en de proceskosten vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de besluiten van 28 februari 2020 worden vernietigd en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen.