ECLI:NL:RVS:2020:3089
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- F.D. van Heijningen
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunning voor bouwen schuur op archeologisch rijksmonument ondanks bezwaar omwonenden
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleende op 17 december 2018 een vergunning voor het bouwen van een schuur op een perceel te Westeremden, gelegen op een archeologisch rijksmonument. Omwonenden, waaronder appellant A, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege mogelijke verstoring van het monument en aantasting van het woon- en leefklimaat.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant A ongegrond en oordeelde dat de minister de vergunning terecht had verleend, omdat de schuur niet schadelijk of ontsierend is voor het monument. De schuur is geclusterd met bestaande bebouwing, waardoor het reliëf van de wierde zichtbaar blijft.
In hoger beroep stelde appellant A dat de schuur te hoog en breed is en dat de minister het beoordelingskader onjuist heeft toegepast, met name door niet te toetsen aan alternatieve locaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het relativiteitsvereiste niet aan de beoordeling in de weg staat en dat de minister het beoordelingskader correct heeft toegepast. De bezwaren van appellant A werden verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Afdeling benadrukte dat de belangen van omwonenden verweven kunnen zijn met het algemene belang van bescherming van het monument en dat de vergunningverlening in overeenstemming is met de Monumentenwet 1988 en de beleidsnotitie voor archeologische monumenten. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor het bouwen van de schuur wordt bevestigd.