ECLI:NL:RVS:2020:3103
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor onderhoudsgebreken woning met matiging invordering dwangsom
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 4 juli 2019 aan appellant, eigenaar en verhuurder van een woning in Amsterdam, lasten onder dwangsom op wegens onderhoudsgebreken en gebreken aan elektra- en gasinstallaties. De bezwaren van appellant tegen deze besluiten werden door de rechtbank ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was tot handhaving omdat de woning niet voldeed aan het Bouwbesluit en de Woningwet. De bezwaren over vermeende partijdigheid van de bezwaarschriftencommissie, schending van hoor en wederhoor en onevenredigheid van handhaving werden verworpen. Wel stelde de Afdeling vast dat het college bij de invordering van de dwangsom onzorgvuldig had gehandeld door het bedrag te baseren op twee lasten terwijl aan één last al was voldaan.
De Afdeling matigde daarom het in te vorderen bedrag van €17.000 naar €12.000 en vernietigde het besluit voor zover het de hoogte van de invordering betrof. Het hoger beroep tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom werd ongegrond verklaard, waarmee het collegebesluit werd bevestigd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het last onder dwangsom besluit wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het invorderingsbesluit wordt gegrond verklaard met matiging van het in te vorderen bedrag tot €12.000.