ECLI:NL:RVS:2020:797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens opslag gevaarlijke stoffen op pluimveebedrijf
Appellant exploiteert een pluimveebedrijf in Ederveen waar toezichthouders in 2017 grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aantroffen. Het college van burgemeester en wethouders van Ede legde een last onder dwangsom op om opslag van gevaarlijke stoffen te beëindigen. Op 9 april 2018 constateerde een toezichthouder dat er nog 700 liter gevaarlijke stoffen aanwezig was, waarna het college besloot de dwangsom van €40.000 te innen.
Appellant voerde aan dat er minder dan 300 liter gevaarlijke stoffen was opgeslagen, bedoeld voor eigen gebruik, en dat het college niet bevoegd was tot invordering. Hij stelde dat het controlerapport niet deugdelijke feiten bevatte en dat hij de vaststelling niet had weersproken. De Raad van State oordeelde dat het controlerapport, voorzien van foto’s en ondertekend door een deskundige toezichthouder, voldoende controleerbaar en deugdelijk was. De toezichthouder mocht uit veiligheidsoverwegingen de inhoud niet openen maar vertrouwde op etikettering.
Verder stelde appellant dat invordering onevenredig was vanwege de lagere hoeveelheid gevaarlijke stoffen en eerdere toestemming voor opslag tot 350 liter. De Raad van State verwierp dit en bevestigde dat invordering van een verbeurde dwangsom zwaarwegend is en slechts in bijzondere omstandigheden kan worden afgezien. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het college bevoegd was en invordering niet onevenredig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €40.000 is bevestigd.