ECLI:NL:RVS:2020:321
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 februari 2018 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 14 december 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 30 januari 2020 dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtsvraag was reeds eerder beantwoord in een vergelijkbare zaak, waardoor het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming niet werd geraakt.
De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd griffierecht geheven. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van G.M.H. Hoogvliet.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.