ECLI:NL:RVS:2020:416
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 november 2017 een aanvraag van drie Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De vreemdelingen, pleegkinderen van een referent met een verblijfsvergunning asiel, stelden dat zij recht hadden op verblijf in het kader van nareis. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdelingen de feitelijke gezinsband met de referent niet aannemelijk hadden gemaakt.
De staatssecretaris had terecht gewezen op tegenstrijdigheden in de overgelegde documenten en verklaringen over het overlijden van de moeder van de vreemdelingen en op het ontbreken van bewijs dat zij feitelijk tot het gezin van de referent waren gaan behoren. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.