ECLI:NL:RVS:2020:441
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom wegens overtreding revisievergunning mestverwerking
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant legde op 30 juni 2016 een last onder dwangsom op aan een mestdistributie-, transport- en loonbedrijf wegens overtredingen van de revisievergunning en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De overtredingen betroffen het innemen van meer mest dan toegestaan, het hygiëniseren van dikke mestfractie met ongebluste kalk en het niet afdekken van mestsilo's.
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was om handhavend op te treden omdat de inrichting een IPPC-installatie betreft, en dat het college de last onder dwangsom terecht had opgelegd. Het college had bovendien een redelijke begunstigingstermijn gesteld en er was geen concreet zicht op legalisatie.
Het bedrijf stelde dat het college niet bevoegd was en dat sprake was van nuttige toepassing in plaats van verwijdering van mest, en dat het provinciale mestbeleid tekortschiet. Ook betoogde het bedrijf dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege een tekort aan mestverwerkingscapaciteit en dat de begunstigingstermijn onredelijk was.
De Afdeling oordeelt dat het college terecht bevoegd is omdat de mestverwerking een fysisch-chemische behandeling betreft die valt onder IPPC. Het bedrijf heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van nuttige toepassing. Handhavend optreden was gerechtvaardigd omdat geen concreet zicht op legalisatie bestond ten tijde van het besluit. Het betoog over het mestbeleid en de begunstigingstermijn faalt omdat het bedrijf zonder vergunning niet meer mest mocht innemen dan toegestaan.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving door het college bevestigd.