ECLI:NL:RVS:2020:48

Raad van State

Datum uitspraak
10 januari 2020
Publicatiedatum
13 januari 2020
Zaaknummer
202000181/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep

De staatssecretaris heeft op 12 januari 2018 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en geweigerd om ambtshalve uitzetting achterwege te laten. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 25 juli 2019 de staatssecretaris de gelegenheid gegeven het besluit te herstellen. Bij uitspraak van 13 december 2019 verklaarde de rechtbank het beroep gegrond en handhaafde de rechtsgevolgen.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden zolang het hoger beroep loopt en om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De voorzieningenrechter achtte dit verzoek gegrond en bepaalde dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €525,00, toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. Deze beslissing werd uitgesproken op 10 januari 2020 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202000181/2/V3.
Datum uitspraak: 10 januari 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 juli 2019 en haar uitspraak van 13 december 2019, beide in zaak nr. NL18.1141 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft.
Bij tussenuitspraak van 25 juli 2019 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het in het besluit geconstateerde gebrek te herstellen.
Bij uitspraak van 13 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Drop    w.g. Ahmady-Pikart
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020
638-888.