ECLI:NL:RVS:2020:546
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A. Kuijer
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring ondanks verzoek voorlopige voorziening
De vreemdeling diende een derde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard. De vreemdeling stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, welke aanvankelijk door de voorzieningenrechter werd toegewezen.
De staatssecretaris stelde de vreemdeling vervolgens in vreemdelingenbewaring, ondanks het lopende verzoek om voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet verplicht was vooruit te lopen op een uitspraak over de voorlopige voorziening en verklaarde het beroep ongegrond.
De vreemdeling voerde hoger beroep aan tegen deze beslissing, stellende dat de staatssecretaris zich ter zitting niet verzette tegen het verzoek, waardoor zijn belang had moeten prevaleren. De Raad van State oordeelde dat deze verklaring geen aanleiding gaf tot een uitzondering op de regel dat de staatssecretaris geen rekening hoeft te houden met een niet definitief toegewezen voorlopige voorziening.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vreemdelingenbewaring en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.