ECLI:NL:RVS:2020:57
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris heeft op 23 september 2019 een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod uitgevaardigd tegen de vreemdeling, die vervolgens op 25 september 2019 in vreemdelingenbewaring werd gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet heeft beoordeeld, terwijl deze besluiten nauw samenhangen met de maatregel van bewaring. De Afdeling vernietigt daarom dit deel van het vonnis en behandelt het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod.
De vreemdeling voerde aan dat het terugkeerbesluit en inreisverbod onrechtmatig zijn vanwege tegenstrijdigheden in de vertrektermijn en de duur van het inreisverbod. De Afdeling stelt dat de onmiddellijke vertrekplicht onverminderd geldt, ook als de staatssecretaris tijdelijk afziet van directe uitzetting om de vreemdeling zijn geboekte vlucht te laten gebruiken. Daarnaast faalt het beroep dat het inreisverbod onrechtmatig zou zijn omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening zou hebben gehouden met familiebanden binnen de EU.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet is beoordeeld, maar verklaart het beroep in zoverre ongegrond. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet is beoordeeld, maar het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.