ECLI:NL:RVS:2020:586
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en invordering verbeurde dwangsom wegens strijdig gebruik woning en garage met bestemmingsplan
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake de invordering van een dwangsom van €20.000 wegens het gebruik van een woning en garage voor een fietsenhandel in strijd met het bestemmingsplan "Getfert-Perik-Hogeland Noord". Het college van burgemeester en wethouders van Enschede had de dwangsom opgelegd en later ingevorderd nadat appellant niet aan de last had voldaan.
De rechtbank oordeelde dat het college de verbeurde dwangsom terecht invorderde en dat de bevoegdheid tot invordering niet was verjaard. Wel was er een bevoegdheidsgebrek bij het besluit op bezwaar van 16 april 2018, dat met een nieuw besluit van 17 oktober 2018 werd hersteld. Het beroep tegen dit nieuwe besluit werd niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant voerde onder meer aan dat de aanmaning tot betaling verkeerd was geadresseerd en dat hij aan de last had voldaan. De Afdeling verwierp deze bezwaren, oordeelde dat de verjaring tijdig was gestuit en dat de feitelijke bedrijfsactiviteiten niet waren gestaakt. Ook was het niet relevant dat het bedrijf slechts op één perceel was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Wel werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte het college niet had veroordeeld in de proceskosten vanwege het passeren van het bevoegdheidsgebrek. De Afdeling vernietigde dit deel van de uitspraak en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond; college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, overige uitspraak bevestigd.