ECLI:NL:RVS:2020:610
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering tweede bewonersvergunning wegens stallingsplaats en vergunningenplafond
Appellante vroeg om een tweede bewonersvergunning voor haar auto, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees dit af omdat zij al beschikte over een stallingsplaats (een oprit) en een bewonersvergunning, waardoor het maximum van twee vergunningen per woning was bereikt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de oprit naar de voormalige garage als stallingsplaats kwalificeert volgens de Parkeerverordening 2013. Appellante stelde dat de oprit geen stallingsplaats was omdat de garage was verbouwd tot berging en de tuin niet als parkeerplaats gebruikt mocht worden. De Afdeling volgde de rechtbank en het college, omdat de oprit planologisch als ongebouwde parkeervoorziening mag worden gebruikt.
Appellante voerde verder aan dat zij op grond van artikel 33 van Pro de Parkeerverordening recht had op een vergunning, en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege haar situatie en eerdere toezeggingen van de gemeenteraad en wethouder. De Afdeling verwierp deze beroepen, omdat het vergunningenplafond niet was bereikt in haar gebied, de oprit wel als stallingsplaats geldt, en er geen bijzondere hardheid of rechtsgelijkheid was aangetoond.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de tweede bewonersvergunning bevestigd.