ECLI:NL:RVS:2020:637
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en weigering verblijfsvergunning asiel
De vreemdelingen hadden bij besluiten van 7 november 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke niet in behandeling werd genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen tegen deze besluiten ongegrond op 24 januari 2020. Hiertegen stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 28 februari 2020 besloten dat de vreemdelingen niet mogen worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdelingen, een bedrag van €525,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en volgt eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457). De beslissing waarborgt dat de vreemdelingen tijdens de procedure niet worden benadeeld door voortijdige uitzetting en dat zij toegang houden tot opvang en verstrekkingen.
Uitkomst: De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.