ECLI:NL:RVS:2020:702
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 14 februari 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 24 februari 2020 dat het besluit van de staatssecretaris vernietigd moest worden en beval de verlening van de machtiging binnen twee weken.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in stand zou blijven en dat de belangen van beide partijen in aanmerking genomen moesten worden. Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.