ECLI:NL:RVS:2020:778
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- G.M.H. Hoogvliet
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Vernietiging invordering dwangsom wegens onvoldoende vaststelling overtreding composteringstafel
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant legde een dwangsom van €10.000,- op aan appellant wegens het overschrijden van de maximale opslaghoogte van de composteringstafel op diverse depots. De Omgevingsdienst constateerde dit tijdens een controle op 18 mei 2017. Appellant betwistte de invordering en stelde dat de aanmaning niet op regelmatige wijze was verzonden en dat de overtreding niet voldoende was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt anders. De Afdeling stelt vast dat de aanmaning wel op regelmatige wijze is aangeboden, maar dat de vaststelling van de overtreding onvoldoende deugdelijk en controleerbaar is. Het rapport waarop het college zich baseerde vermeldt niet duidelijk of de depots daadwerkelijk deel uitmaken van de composteringstafel zoals bedoeld in het vergunningvoorschrift.
De Afdeling concludeert dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de overtreding voldoende was vastgesteld. Hierdoor is het besluit tot invordering van de dwangsom onrechtmatig. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de zaak wordt zelf afgedaan. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot invordering van de dwangsom wordt vernietigd wegens onvoldoende vaststelling van de overtreding.