ECLI:NL:RVS:2020:792
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- N. Verheij
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aanvangstermijn voor aanvraag tegemoetkoming planschade bij onherroepelijk bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Zundert wees aanvragen van appellant en anderen om tegemoetkoming in planschade af omdat deze niet binnen de gestelde vijfjaarstermijn waren ingediend. De rechtbank oordeelde dat de termijn begon op de dag dat het bestemmingsplan onherroepelijk werd, waardoor de aanvragen te laat waren.
Appellant en anderen stelden dat de termijn pas de dag ná het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan aanvangt, mede gebaseerd op de analogie met artikel 3:310 BW Pro en jurisprudentie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde hen in het gelijk en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling bepaalde dat de termijn voor het indienen van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade op 14 maart 2013 begon, de dag na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Hierdoor waren de aanvragen tijdig ingediend. Het college moet de bezwaren opnieuw beoordelen en is tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De termijn voor het indienen van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade begint op de dag na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, waardoor de aanvragen tijdig waren en het college de bezwaren opnieuw moet beoordelen.