Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
ha – a – ca
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
subonderdeel Iadaagt de steller van het middel ons uit de opvatting te aanvaarden dat indien nadelen worden teweeggebracht door (het plan voor) het werk waarvoor wordt onteigend, niet geldt dat eliminatie slechts plaatsvindt indien het een overheidswerk betreft. Anders gezegd: als een derde het werk waarvoor wordt onteigend realiseert en dat (plan voor het) werk waarvoor wordt onteigend nadelen teweegbrengt voor de onteigende, dient eliminatie te volgen van dat (plan voor het) werk waarvoor wordt onteigend. Volgens de klachten van
subonderdeel Ibis de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de door Noy tijdens pleidooi naar voren gebrachte stellingen. De steller van het middel betoogt dat deze stellingen er op neerkomen dat de verkeersbestemming moest worden geëlimineerd, omdat deze bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor het werk waarvoor is onteigend en het bestemmingsplan dus slechts is vastgesteld om de beoogde aanleg van de het werk waarvoor is onteigend, mogelijk te maken.
te gewaagdom enige kans van slagen te kunnen hebben. Ik leg dit hierna uit.
Perkpolder [8] dat, afgezien van de werking van de egalisatieregel van art. 40d Ow, uit moeten worden gegaan van de exploitatie van het onteigende zoals binnen het geldende bestemmingsplan mogelijk. Eliminatie van een bestemmingsplan is volgens uw Raad een
met terughoudendheidtoe te passen uitzondering op dit uitgangspunt. [9] Ik citeer het arrest:
Overige schade
subonderdeel IIawordt met een motiveringsklacht bestreden de beslissing van de rechtbank in rechtsoverweging 2.12 dat zij de deskundigen volgt in hun conclusie en motivering dat de waardevermindering van het overblijvende nihil is. Noy voert daartoe aan dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat zij niet alleen een beroep heeft gedaan op art. 40e Ow in het kader van de door haar geleden exploitatieschade, maar dat zij dat beroep ook heeft gedaan ten aanzien van de door haar gestelde waardevermindering van het overblijvende.
Subonderdeel IIbbevat een rechtsklacht waarin wordt betoogd dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.14 heeft miskend dat art. 40e Ow juist is bedoeld om zuivere planschade in de onteigeningsprocedure te vergoeden en dat de omstandigheid dat voor de onteigende ingevolge art. 6.1 Wro de mogelijkheid bestaat of bestond planschade vergoed te krijgen, hieraan niet afdoet.
Subonderdeel IIcvarieert vervolgens nog op de voorgaande klachten. [18]
in algemene zin(onder meer) is bedoeld om planschade in de onteigeningsprocedure te vergoeden. [20] In plaats daarvan heeft zij aangenomen dat in verband met het tijdverloop sinds 2009 (het tijdstip waarop het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden) de regeling van art. 40e Ow
in concretogeen grondslag voor de vergoeding van planschade biedt. Eerder had Noy haar planschade kunnen verhalen op grond van art. 6.1 Wro; dat zij dit heeft nagelaten is een
omissie [21] die niet in het kader van de vaststelling van een schadeloosstelling als gevolg van onteigening kan worden hersteld. Aldus brengt de rechtbank enigszins omfloerst tot uitdrukking (1) dat de aanspraak van Noy op vergoeding van planschade is verjaard, alsook (2) dat art. 40e Ow niet mede een grondslag biedt voor de vergoeding van
verjaardeplanschade.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
bekend en voorzienbaar was.Een zodanige inschatting kan plaatsvinden op grond van concrete bedrijfsgegevens, maar ook meer abstract, uitgaande van de objectieve kenmerken van het onteigende en het daarin uitgeoefende bedrijf. De keuze voor de te volgen methodiek is een feitelijke kwestie die in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In het licht van het partijdebat dunkt mij het oordeel van de rechtbank op dit punt niet onbegrijpelijk en ook niet onvoldoende gemotiveerd.