ECLI:NL:RVS:2020:838
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorgtoeslag na herziening inkomen en toepassing woonlandfactor
De appellant heeft zorgtoeslag aangevraagd voor de jaren 2017 en 2018. De Belastingdienst/Toeslagen kende aanvankelijk een voorschot toe, maar herzag dit voor 2018 naar nihil en stelde de aanspraak over 2017 eveneens op nihil vast, omdat het inkomen van appellant te hoog was.
De rechtbank Midden-Nederland stelde de Belastingdienst in het gelijk, waarbij de woonlandfactor voor Polen werd toegepast bij de inkomensberekening. De appellant voerde in hoger beroep aan dat hem was toegezegd dat verhuizing naar Polen geen financiële nadelen zou hebben en dat zijn inkomen lager was dan aangenomen. Tevens gaf hij aan niet in staat te zijn het teruggevorderde bedrag te betalen.
De Raad van State overwoog dat de Belastingdienst terecht uitging van het door de Inspecteur vastgestelde toetsingsinkomen en het geschatte inkomen bij de aanvraag. Het lagere inkomen vanaf 2019 is niet relevant voor de jaren 2017 en 2018. Verder is de Belastingdienst bevoegd om discretionair te bepalen of en in welke mate terugvordering plaatsvindt, waarbij betalingsregelingen mogelijk zijn. Er waren geen bijzondere omstandigheden om af te zien van terugvordering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.