Uitspraak
Datum uitspraak: 25 maart 2020
Raad van State
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde op 5 oktober 2017 een bestuurlijke boete van €30.800 op aan een vervoersbedrijf wegens zeven overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw). Deze overtredingen betroffen het niet deugdelijk registreren van arbeids- en rusttijden van een chauffeur op zeven dagen in november 2015, vastgesteld tijdens een bedrijfsinspectie door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) op 18 april 2016.
Het bedrijf stelde bezwaar en beroep in tegen deze boete, onder meer stellende dat het tijdstip van de inspectie niet bepalend zou zijn en dat de gevorderde C-bestanden wel beschikbaar waren gesteld. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna het bedrijf hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het tijdstip van de inspectie wel degelijk bepalend is voor het vaststellen van overtredingen en dat het ontbreken van de C-bestanden op dat moment vaststaat. Ook werd geoordeeld dat de hoogte van de boete niet onevenredig is, mede gelet op het doel van de Atw en het feit dat het bedrijf al eerder was geïnspecteerd en overtredingen had begaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bestuurlijke boete van €30.800 wegens zeven overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet.