Uitspraak
Datum uitspraak: 10 juni 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar pleegmoeder en zus te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van haar identiteit. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit op bezwaar. De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een contra-indicatie vanwege tegenstrijdige verklaringen van de referent over doopaktes.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de referent tegenstrijdig had verklaard. De verklaringen van de referent vormden geen contra-indicatie. Tevens stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd of een onbevoegd opgemaakt document een zelfstandige contra-indicatie vormt.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand liet. De staatssecretaris werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, met opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar te nemen.