ECLI:NL:RVS:2021:136

Raad van State

Datum uitspraak
26 januari 2021
Publicatiedatum
26 januari 2021
Zaaknummer
202006559/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-veroordeling proceskosten bij vreemdelingenbewaring

De vreemdeling werd op 22 november 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, omdat de bewaring op 23 november 2020 was opgeheven en de staatssecretaris op 27 november 2020 een volledige schadevergoeding en proceskostenvergoeding had aangeboden.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de rechtbank, stellende dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken voor het verschijnen ter zitting. De Raad van State overwoog dat de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, aangezien het noodzakelijk was dat de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting verscheen.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak waarin de proceskostenveroordeling werd afgewezen en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten ter hoogte van €1.068,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor het verschijnen ter zitting van €1.068,00.

Uitspraak

202006559/1/V3.
Datum uitspraak: 26 januari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 december 2020 in zaak nr. NL20.20142 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij mondelinge uitspraak van 2 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de staatssecretaris te veroordelen in de gemaakte kosten voor het verschijnen ter zitting.
1.1.    De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk verklaard. Wat hij met zijn beroep kennelijk beoogde, was namelijk bereikt, aangezien de bewaring op 23 november 2020 was opgeheven en hem op 27 november 2020 door de staatssecretaris een volledige schadevergoeding en proceskostenvergoeding was aangeboden.
1.2.    Als het beroep niet-ontvankelijk is omdat belang ontbreekt moet worden bezien of, gezien de omstandigheden van het geval en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het belang, grond bestaat om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Van zo'n grond kan sprake zijn als de staatssecretaris aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Gezien de overwegingen onder 1.1 is hiervan in dit geval sprake (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1209).
1.3.    Aangezien de rechtbank het kennelijk noodzakelijk achtte het door de vreemdeling ingestelde beroep ter zitting te behandelen en de gemachtigde van de vreemdeling daar ook is verschenen, had de rechtbank, gelet op de overwegingen onder 1.2, de staatssecretaris ook moeten veroordelen in de kosten voor het verschijnen ter zitting. Zij heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat geen grond bestaat voor een veroordeling in de kosten voor het verschijnen ter zitting omdat er voor de gemachtigde van de vreemdeling geen noodzaak meer was om ter zitting te verschijnen. De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten voor het verschijnen ter zitting. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 december 2020 in zaak nr. NL20.20142, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten voor het verschijnen ter zitting;
III.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2021
279.