ECLI:NL:RVS:2021:1458
Raad van State
- Hoger beroep
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit CBR niet rijgeschikt te verklaren na medische en rijtestbeoordeling
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring van rijgeschiktheid, waarna het CBR hem doorverwees naar een medisch specialist. Neuroloog J.A. Haas concludeerde in december 2018 dat appellant status na TIA heeft met goed herstel en een lichte cognitieve stoornis, en adviseerde tijdelijke rijgeschiktheid afhankelijk van een positieve rijtest.
Op 7 mei 2019 legde appellant een rijtest af die door een deskundige praktische rijgeschiktheid als onvoldoende werd beoordeeld, met name vanwege onvoldoende waarneming tijdens het rijden. Het CBR verklaarde appellant daarop niet rijgeschikt en wees bezwaar en beroep af.
Appellant voerde aan dat het medisch onderzoek positief was, hij goede rijlessen had gevolgd en dat de rijtest goed was afgelegd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het CBR terecht het oordeel van de deskundige praktische rijgeschiktheid heeft gevolgd. De Afdeling zag geen aanleiding om het besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep van appellant en het incidenteel hoger beroep van het CBR werden ongegrond verklaard. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit dat appellant niet rijgeschikt is verklaard.