AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen afwijzing voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag wegens verblijfsrechtelijke status
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2019 door de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst stelde dat appellant geen recht had op deze toeslagen vanwege zijn verblijfsrechtelijke status, gebaseerd op gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De rechtbank had geoordeeld dat appellant van 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2019 geen rechtmatig verblijf had en daarom geen aanspraak op toeslagen kon maken. Na 7 juni 2019 had appellant weliswaar een nieuwe verblijfsvergunning aangevraagd, maar dit had geen schorsende werking omdat een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de voorschotten niet op nihil hadden mogen worden gesteld zolang de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet onherroepelijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp dit betoog, bevestigde het inreisverbod en het ontbreken van rechtmatig verblijf, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De Belastingdienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag blijven op nihil gesteld vanwege het inreisverbod en het ontbreken van rechtmatig verblijf.
Uitspraak
202004174/1/A2.
Datum uitspraak: 7 juli 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2020 in zaak nrs. 20/647 en 20/648 in de gedingen tussen:
[appellant] en [partij]
en
de Belastingdienst/Toeslagen
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] voor 2019 toegekende voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag op onderscheidenlijk € 495,00 en € 1.502,00 gesteld.
Bij besluit van 23 juli 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] voor 2019 toegekende voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag opnieuw berekend en op onderscheidenlijk € 495,00 en € 1.502,00 gesteld.
Bij besluit van 21 augustus 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] voor 2019 toegekende voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag opnieuw berekend en op onderscheidenlijk nihil en € 1.502,00 gesteld.
Bij besluit van 21 september 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] voor 2019 toegekende voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag opnieuw berekend en op onderscheidenlijk nihil en € 1.502,00 gesteld.
Bij besluit van 24 december 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] tegen de hierboven genoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bi besluit van 28 december 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] voor 2019 toegekende voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag opnieuw berekend en beide op nihil gesteld.
Bij uitspraak van 16 juni 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 24 december 2019 ingestelde beroep naar de Afdeling begrijpt met toepassing van artikel 6:19 vanPro de Awb aangemerkt als mede gericht tegen het besluit van 28 december 2019 en dit beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft desgevraagd binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Het geding gaat over het recht van [appellant] op voorschotten zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2019. Zorgtoeslag en huurtoeslag zijn tegemoetkomingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir).
2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in zijn besluitvorming op het standpunt gesteld dat [appellant] in 2019 geen recht had op zorgtoeslag en huurtoeslag vanwege zijn verblijfsrechtelijke status. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in dat verband gebaseerd op gegevens die hij heeft ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND).
3. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de door de IND verstrekte gegevens. Als een vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze gegevens naar voren heeft gebracht dient de Belastingdienst/Toeslagen nader onderzoek te doen naar deze gegevens.
Uit het door de Belastingdienst/Toeslagen ingestelde onderzoek is gebleken dat [appellant] van 1 juli 2012 tot 7 juni 2019 geen geldige verblijfstitel had. Dit betekent dat [appellant] vanaf 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2019 geen rechtmatig verblijf had in Nederland en daarom ook geen aanspraak had op toeslagen. Dat [appellant] op 7 juni 2019 een nieuwe verblijfsvergunning heeft aangevraagd en dat hij vervolgens is opgekomen tegen de afwijzing van deze aanvraag betekent niet dat [appellant] na 7 juni 2019 aanspraak op toeslagen had. De IND heeft namelijk niet alleen de verblijfsvergunning van [appellant] ingetrokken, maar ook op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van maximaal tien jaar. Uit het zevende lid van die bepaling volgt dat het doen van een aanvraag in een dergelijk geval geen schorsende werking heeft, aldus de rechtbank.
4. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij van 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2019 geen aanspraak op zorgtoeslag en huurtoeslag had. Volgens [appellant] had de Belastingdienst/Toeslagen zijn voorschotten niet op nihil mogen stellen zolang de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet onherroepelijk vaststond. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].
4.1. In artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf kan hebben ingeval de vreemdeling naar het oordeel van de Veiligheid en Justitie een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De Afdeling stelt vast dat jegens [appellant] een dergelijk inreisverbod is uitgevaardigd. Dit betekent dat hij van 1 januari 2019 tot en met 7 juni 2019 maar ook daarna geen aanspraak op zorgtoeslag en huurtoeslag had (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:613, onder 4.1). De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en de huurtoeslag van [appellant] op nihil heeft kunnen stellen.
Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond.
6. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.