ECLI:NL:RVS:2017:613
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- N. Verheij
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huur- en zorgtoeslag wegens ontbreken rechtmatig verblijf door inreisverbod
Appellant ontving in 2015 voorschotten huur- en zorgtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen stelde deze toeslagen bij besluit van 21 augustus 2015 op nihil, omdat appellant geen rechtmatig verblijf had vanwege een inreisverbod dat met terugwerkende kracht werd opgelegd na intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel.
Appellant stelde dat hij tot de uitspraak van de rechtbank op 1 juli 2015 rechtmatig verblijf had omdat het instellen van beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning de rechtsgevolgen opschortte. De rechtbank oordeelde echter dat het inreisverbod, zoals bepaald in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig verblijf uitsluit, ongeacht het opschorten van het besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af. Ook het betoog dat de Belastingdienst/Toeslagen een eigen onderzoeksplicht had en niet zonder meer mocht vertrouwen op de verblijfstitelcode van de IND werd verworpen. De Afdeling overwoog dat het instellen van beroep tegen de intrekking niet leidt tot rechtmatig verblijf zolang het inreisverbod van kracht is.
De uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juni 2016 werd daarmee bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om het voorschot huur- en zorgtoeslag op nihil te stellen wordt bevestigd.