Art. 64 Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000Art. 8:54, eerste lid, Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, weigerde ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en verleende voorlopig uitstel van vertrek. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en stelde dat de rechtbank ten onrechte niet was ingegaan op zijn beroepsgronden over het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het ontbreken van een BMA-advies. De Raad van State constateerde dat de rechtbank inderdaad niet op deze gronden had beslist en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen verblijfsvergunning regulier verleende en geen BMA-advies had opgevraagd.
De Raad van State vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de weigering van de verblijfsvergunning regulier betrof en bevestigde het besluit voor het overige. Tevens veroordeelde de Raad van State de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van 4 september 2020 wordt vernietigd voor zover het de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd betreft.
Uitspraak
202006660/1/V2.
Datum uitspraak: 12 juli 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 december 2020 in zaak nr. NL20.17070 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en ambtshalve besloten om hem krachtens artikel 64 vanPro de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek te verlenen.
Bij uitspraak van 8 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in de grieven 2 en 3 aanvoert over de afwijzing van zijn asielaanvraag, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgronden over het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het opvragen van een BMA-advies. In die beroepsgronden klaagde hij dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij door zijn medische situatie niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat de staatssecretaris ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd.
2.1. Uit het beroepschrift en de zittingsaantekeningen blijkt dat de vreemdeling de bedoelde beroepsgronden heeft aangevoerd. De rechtbank heeft daarop ten onrechte niet beslist. Omdat de vreemdeling verder terecht betoogt dat de staatssecretaris in het besluit niet gemotiveerd is ingegaan op wat de vreemdeling in zijn zienswijze heeft aangevoerd over zijn medische situatie, de bevoegdheid van de staatssecretaris om hem in verband daarmee een verblijfsvergunning regulier te verlenen en de reden om het BMA niet te vragen om te adviseren over de medische situatie van de vreemdeling, heeft de rechtbank in zoverre ten onrechte overwogen dat het besluit van de staatssecretaris deugdelijk is gemotiveerd.
2.2. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover gericht tegen de weigering de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en voor het overige bevestigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 4 september 2020 wordt in zoverre vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 december 2020 in zaak nr. NL20.17070, voor zover gericht tegen de weigering de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 4 september 2020, V-[…], in zoverre;
V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00 (zegge: tweeëntwintighonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.