ECLI:NL:RVS:2021:1590
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.J.M. Baldinger
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering jachtakte wegens eerdere veroordeling op grond van de Wet wapens en munitie
Appellant diende op 7 maart 2019 een aanvraag in voor een jachtakte bij de korpschef van politie. Na gebruikelijke screening bleek dat appellant op 30 november 2018 onherroepelijk was veroordeeld voor overtreding van artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie, wat volgens artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder e, van de Wet natuurbescherming een dwingende weigeringsgrond vormt voor het verlenen van een jachtakte.
Appellant voerde aan dat zijn veroordeling betrekking had op het bezit van een oud en ongevaarlijk vuurwapen dat hij geërfd had en dat de wetgever deze weigeringsgrond niet bedoeld had voor dergelijke niet-agressieve delicten. Hij stelde dat de weigering onevenredig was gezien zijn lange jachtgeschiedenis en de aard van het delict.
De Raad van State oordeelde dat de wetgever met de betreffende bepaling juist een streng stelsel wilde creëren ter beheersing van legaal wapenbezit, waarbij veroordelingen voor alle misdrijven onder de Wet wapens en munitie altijd leiden tot weigering van een jachtakte. De wetgever heeft geen beoordelingsruimte gelaten om hiervan af te wijken. Het beroep van appellant faalde dan ook en de eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees het hoger beroep af en bevestigde de weigering van de jachtakte. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de jachtakte vanwege een onherroepelijke veroordeling voor overtreding van de Wet wapens en munitie.