ECLI:NL:RVS:2021:1659
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing rijbewijs en oplegging rijvaardigheidsonderzoek na snelheidsovertredingen beginnend bestuurder
De zaak betreft een beginnend bestuurder die twee snelheidsovertredingen beging, respectievelijk 128 km/u en 136 km/u waar 80 km/u was toegestaan. Voor deze overtredingen zijn onherroepelijke strafbeschikkingen opgelegd. De officier van justitie meldde aan het CBR het vermoeden dat de bestuurder niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid. Het CBR legde daarop een onderzoek op en schorste het rijbewijs tot de uitkomst van het onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van de bestuurder tegen deze maatregelen ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld. De bestuurder voerde aan dat de procedure oneerlijk was verlopen en dat de maatregelen onevenredig zwaar waren, mede omdat het onderzoek pas na zeven maanden werd opgelegd en de schorsing het werk- en privéleven ernstig beïnvloedde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de procedure geen onrechtmatigheden kende, dat de bestuurder aanwezig was bij de zitting en zijn standpunten kon inbrengen. De schorsing en het onderzoek zijn volgens de toepasselijke regelgeving terecht opgelegd zonder rechterlijke tussenkomst. De maatregel is niet onevenredig, mede gezien de ernst van de overtredingen en het doel van verkeersveiligheid. De schorsing duurde acht maanden, wat niet onredelijk is gelet op de Covid-gerelateerde vertragingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot oplegging van het rijvaardigheidsonderzoek en schorsing van het rijbewijs wordt bekrachtigd.