ECLI:NL:RVS:2021:1722

Raad van State

Datum uitspraak
4 augustus 2021
Publicatiedatum
4 augustus 2021
Zaaknummer
202103999/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft. Na bezwaar en een tussenuitspraak heeft de staatssecretaris het eerdere besluit ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarin het verblijfsrecht werd erkend. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen omdat de uitvoering van de uitspraak geen onomkeerbare gevolgen heeft en geen onevenredige inspanning vergt.

Daarnaast is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die verband houden met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202103999/2/V3.
Datum uitspraak: 4 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 mei 2021 in zaak nr. 20/4315 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2019 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Bij besluit van 1 mei 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 14 januari 2021 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij brief van 28 januari 2021 heeft de staatssecretaris medegedeeld dat hij het besluit van 1 mei 2020 heeft ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2019 zal worden beslist.
Bij besluit van 5 februari 2021 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 17 april 2019 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat de vreemdeling rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft.
Bij uitspraak van 18 mei 2021 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 februari 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de staatssecretaris moet vaststellen vanaf wanneer de vreemdeling een verblijfsrecht heeft. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021
846