ECLI:NL:RVS:2021:1778

Raad van State

Datum uitspraak
9 augustus 2021
Publicatiedatum
9 augustus 2021
Zaaknummer
202102092/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep in asielprocedure

De vreemdeling had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake zijn asielaanvraag. De staatssecretaris trok vervolgens het besluit van 9 februari 2021 in en liet weten dat de asielaanvraag in de nationale procedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn van de Dublinverordening was verstreken.

Naar aanleiding hiervan trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De Afdeling oordeelde dat het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag geen tegemoetkoming door de staatssecretaris inhoudt, maar een gevolg is van tijdsverloop. Daarom werd het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door het lid van de enkelvoudige kamer C.M. Wissels, in aanwezigheid van griffier D.I. Schipper, op 9 augustus 2021.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het intrekken van het besluit geen tegemoetkoming inhoudt.

Uitspraak

202102092/1/V3.
Datum uitspraak: 9 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.S. Harhangi-Asarfi, advocaat te Rotterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 maart 2021 in zaak nr. NL21.2038.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Bij brief van 1 juli 2021 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 9 februari 2021 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
2.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084) en 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1855) kan aanleiding bestaan de staatsecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is geen tegemoetkoming, maar louter een gevolg van tijdsverloop.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2021
765-945