ECLI:NL:RVS:2021:1804

Raad van State

Datum uitspraak
12 augustus 2021
Publicatiedatum
12 augustus 2021
Zaaknummer
202100770/1/V3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Griekenland

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde bij besluit van 13 november 2020 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling, mede namens haar minderjarige kind, stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 28 januari 2021.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het geschil betrof de vraag of statushouders in Griekenland bij terugkeer een reëel risico lopen op een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest. De Afdeling verwees naar eerdere uitspraken van 28 juli 2021 die stelden dat de staatssecretaris haar motivering omtrent het ontbreken van dit risico moet verbeteren.

De Afdeling oordeelde dat de motivering van de staatssecretaris onvoldoende was, verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 2.244,00. De zaak werd behandeld door een enkelvoudige kamer, waarbij het lid van de kamer verhinderd was de uitspraak te ondertekenen.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het risico bij terugkeer naar Griekenland.

Uitspraak

202100770/1/V3.
Datum uitspraak: 12 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2021 in zaak nr. NL20.19754 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 28 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hidding, advocaat te Diever, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep gaat over de situatie voor statushouders in Griekenland en de vraag of zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico lopen om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Daarover heeft de Afdeling op 28 juli 2021 twee uitspraken gedaan (ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627). Hieruit volgt dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom de vreemdeling voormeld risico niet loopt.
De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 13 november 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 28 januari 2021 in zaak nr. NL20.19754;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 13 november 2020, V-nummers […] en […];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2021
47-959