ECLI:NL:RVS:2021:1626
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.G. Sevenster
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens interstatelijk vertrouwensbeginsel Griekenland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 5 oktober 2020 de asielaanvraag van een Syrische vreemdeling niet-ontvankelijk omdat Griekenland hem op 3 februari 2020 internationale bescherming verleende. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Griekenland kan worden toegepast, waarbij de staatssecretaris ervan uitgaat dat de vreemdeling geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest bij terugkeer naar Griekenland. De Raad van State onderzocht onder meer de gevolgen van een Griekse wetswijziging in maart 2020, die het recht op opvang en materiële voorzieningen voor statushouders beperkte.
De Raad concludeert dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat het vertrouwensbeginsel hier van toepassing is, mede gezien de verslechterde situatie van statushouders in Griekenland, waaronder een verhoogd risico op dakloosheid en beperkte toegang tot voorzieningen. De medische en psychische kwetsbaarheid van de vreemdeling werd door de rechtbank niet aannemelijk geacht, wat de Raad bevestigt.
De Raad vernietigt het besluit van 5 oktober 2020 en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak heeft ook gevolgen voor andere vreemdelingen die in Nederland asiel aanvragen terwijl zij in Griekenland internationale bescherming genieten.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de situatie in Griekenland.