ECLI:NL:RVS:2021:1823
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel en toewijzing beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde bij besluit van 18 augustus 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de eerste drie grieven van de vreemdeling geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat deze geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De vierde grief betrof de situatie van statushouders in Griekenland en het risico bij terugkeer in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest. De Afdeling verwees naar recente uitspraken waarin is bepaald dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom een dergelijk risico niet bestaat.
Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 augustus 2020, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 2.244,00. De zaak werd in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.