ECLI:NL:RVS:2021:1823

Raad van State

Datum uitspraak
18 augustus 2021
Publicatiedatum
18 augustus 2021
Zaaknummer
202100550/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel en toewijzing beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde bij besluit van 18 augustus 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de eerste drie grieven van de vreemdeling geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat deze geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De vierde grief betrof de situatie van statushouders in Griekenland en het risico bij terugkeer in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest. De Afdeling verwees naar recente uitspraken waarin is bepaald dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom een dergelijk risico niet bestaat.

Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 augustus 2020, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 2.244,00. De zaak werd in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202100550/1/V3.
Datum uitspraak: 18 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 19 januari 2021 in zaak nr. NL20.15932 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Grigorjan, advocaat te 's­Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat de vreemdeling in grieven 1, 2 en 3 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000.
2.       De vierde grief gaat over de situatie voor statushouders in Griekenland en de vraag of zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico lopen om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Daarover heeft de Afdeling op 28 juli 2021 twee uitspraken gedaan (ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627). Hieruit volgt dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom de vreemdeling voormeld risico niet loopt.
De vierde grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 18 augustus 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch van 19 januari 2021 in zaak nr. NL20.15932;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 18 augustus 2020, V-nummer […];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2021
722